Honkballers verkopen geen spijkerbroeken

Recent zijn er twee Amerikaanse boeken over honkbal in het Nederlands vertaald: Moneyball van Michael Lewis en De kunst van veldspel van Chad Harbach. Lewis maakt in zijn ode aan baseballgoeroe Billy Beane duidelijk hoe een kleine honkbalclub met weinig geld succesvol kan zijn. Harbach trekt ons via het honkbal de besloten wereld van het campusleven aan een Amerikaanse universiteit in. Een analytische biografie versus een emotionele roman.

Billy Beane, general manager van de Oakland A’s, verkoopt, zoals hij zelf zegt, geen spijkerbroeken. Traditionele honkbalscouts zoeken namelijk naar talentjes die groot, sterk en snel zijn en ‘een goede kop’ hebben. Fotomodellen dus, uit jeansreclames. Uiterlijk speelt bij de traditionele manier van scouten een belangrijke rol. Veel scouts denken dat een knap persoon zelfverzekerder is dan iemand die onaantrekkelijk is, en daardoor meer kans van slagen heeft in het leven in het algemeen, en in het honkbal in het bijzonder.

Totale onzin, aldus Beane. Hij zoekt naar unieke eigenschappen van spelers. Of ze dik, dun, klein, dik of lelijk zijn zal hem worst wezen. Beane wordt in zijn eeuwige zoektocht naar nieuw talent bijgestaan door Paul Podesta, een statisticus die aan Harvard heeft gestudeerd. Nu is het gebruik van statistieken in honkbal al zo oud als de weg naar Rome, maar Beane en Podesta hebben een unieke kijk op het cijfermateriaal. Zij werken zich door massa’s honkbalstatistieken, en zijn daarbij zoek naar interessante tendensen die andere clubs niet zien.

Daar waar veel clubs bijvoorbeeld vooral slagmannen zoeken met een hoog slaggemiddelde, richten Beane en consorten zich op spelers met een hoog On Base Percentage (OBP), het aantal keren dat een slagman, op welke manier dan ook, op een van de honken terechtkomt. Eenmaal op de honken, kan een team gaan scoren. In het OBP worden naast honkslagen ook vrije lopen verdisconteerd.

De aanpak van Beane werkt. Oakland A’s is een arme, kleine club, met een selectie die weinig kost. Hun aanvankelijk onbekende trage, dikke spelers (maar met hoge OBP’s), worden voor een prikkie gekocht, omdat andere clubs niet in ze geïnteresseerd zijn. Ze zijn echter als team wel succesvol. Door hun originele aanpak wisten de Oakland A’s tussen 2000 en 2006 viermaal hun divisie, de American League West, te winnen. Voordeel is ook dat de goedkope spelers zich vaak doorontwikkelen, en uiteindelijk met dikke winst aan grote clubs kunnen worden doorverkocht.

Beane is zelf overigens een ex-honkballer, die er nog altijd uitziet als een jonge god: slank en gespierd. Deze allround sportman (hij was in zijn jeugd ook goed in basketbal en football) zou zo ingehuurd kunnen worden voor een spijkerbroekenreclame. Hetzelfde geldt voor Mike Schwartz, een van de hoofdrolspelers uit De kunst van het veldspel. Supersportman Schwartz is de aanvoerder van  zowel het footballteam als de honkbalploeg van Westish College, een fictieve universiteit in Wisconsin, gelegen aan Lake Michigan.

In De kunst van het veldspel ontdekt Schwartz het honkbaltalent Henry Skrimshander, een dun, miezerig mannetje dat verbazingwekkend goed ballen weet te vangen, en deze ook keihard kan werpen. Skrimshander heeft fabelachtig voetenwerk, hij komt altijd achter de bal en zijn oog-hand coördinatie is subliem. Hij is de beste korte stop die Schwartz ooit heeft gezien. Niemand let echter op Skrimshander, omdat hij niet voldoet aan het stereotype honkbaltalent: groot, sterk, knap, met een hoog slaggemiddelde.

Schwartz ziet echter wel het talent van Skrimshander en haalt hem naar Westish College. Wanneer Skrimshander echt had bestaan, zou hij Beane hem waarschijnlijk naar de Oakland A’s hebben gehaald. Harbach voert Skrimshander in zijn roman drie jaar door de tijd en laat hem uitgroeien tot een talent dat scouts van talloze professionele honkbalteams naar Westish College lokt.

Ondertussen wordt de rector van de universiteit, Guert Affenlight, verliefd op Owen Dunne, de homoseksuele kamergenoot van SkrimmerSchwartzy krijgt een relatie met Pella, de dochter van diezelfde rector. Skrimshander heeft alleen interesse in honkbal. Andere geneugten des levens bestaan er voor hem gewoonweg niet.

Dan gaat het mis met Skrimshander. Waar hij in een lange reeks wedstrijden foutloos speelde, werpt hij plots geen bal meer goed. Hij heeft last van de yips, het merkwaardige verschijnsel dat sommige honkballers van het ene op het andere moment geen bal meer doelgericht kunnen gooien.

Terwijl Skrimmer zijn yips probeert te overwinnen, kampen de ander personages met hun eigen problemen. Zo ontdekt het bestuur van de universiteit de homoseksuele verhouding tussen Dunne en Affenflight (in het puriteinse Amerika blijkbaar een groot probleem), en gaat de relatie tussen Pella en Schwartz allesbehalve over rozen.

De kunst van het veldspel is een roman over sport, relaties en ontwikkeling. Emotionele zaken waar je bij Billy Beane niet mee hoeft aan te komen. Beane simplificeert het leven het liefst tot een allesomvattende statistiek. Die alleen hij begrijpt, natuurlijk.

Deze recensie staat ook op De Leesclub van Alles.